arrow_rightarrow_righticon_excelicon_pficon_ppticon_wordmagnifier

Programma

maandag 11 apr

09:00

Inschrijving en koffie

09:55

Welkomstwoord Voorzitter Vaatdagen 2022

Dr. Janwillem Hinnen, vaatchirurg, Jeroen Bosch Ziekenhuis

Sessie 1: Next step in perifeer vaatlijden

10:00 - 11:30 - Drs. Daniel van den Heuvel, interventieradioloog, St. Antonius Ziekenhuis & Dr. Michiel Voûte, vaatchirurg, HagaZiekenhuis

10:00

Hoe is de patency van een endovasculaire behandeling van het fempop traject te verbeteren?

Dr. Lee Bouwman, Vaatchirurg, Zuyderland Ziekenhuis

10:20

How to improve BTK outcome?

Dr. Lorenzo Patrone, hybrid vascular specialist, West London Vascular and Interventional Centre (UK)

In this presentation tips and tricks on how to achieve the best perioperative results during endovascular BTK vessels revascularisation will be presented together with strategies and possible approaches to be used in order to maintain the patency of the recanalized vessels. The clinical parameters which should preferentially used in order to determine the success of endovascular recanalizations will finally be discussed.

10:40

De waarde van acceleratie meting bij perifeer arterieel vaatlijden?

Ms. Jill Sommerset, Vascular Technologist, PeaceHealth, Parkdale, OR

Jill Sommerset is a Registered Vascular Technologist with over 20 years of experience. She has a deep passion for limb preservation and is the developer of a novel technique called Pedal Acceleration Time (PAT). She is the owner of flow socks, an arterial sock to bring joy and collaboration to all working hard to save limbs.

Jill Sommerset

Jill Sommerset

11:00

Wat als amputaties lopen

Dr. Christof Smit, revalidatiearts, Tolbrug revalidatie Jeroen Bosch Ziekenhuis

Christof Smit werkt als revalidatiearts en (plv) opleider bij tolbrug Revalidatie bij het Jeroen Bosch Ziekenhuis (JBZ) in ’s Hertogenbosch.

2017 gepromoveerd VU (Amsterdam) bewegingswetenschappen: Elektrical Stmulation in Spinal Cord Injury; development of a pressure ulcer prevention method’.

Aandachtsgebieden nu dwarslaesie, amputatie en diabetische voet.

Er is in het JBZ goede samenweking tussen de vaatchirurgen internisten en revalidatieartsen, oa tijdens gezamelijke visite op de afdeling vaatchirurgie als ook op het interdisciplinaire diabetische voietenspreekuur.

Hij hoopt in zijn voordracht inzicht te geven in het revalideren met een beenamputatie en tevens in de voordelen van relatief vroeg amputeren versus lang doorgaan met vaatinterventies.

11:20

Discussie

11:30

Pauze

12:00

Satellietsymposium | Vascular Solutions by Terumo

Terumo Aortic

12:00

Opening

Dr. Gert-Jan Lauret, vaatchirurg, Slingeland Ziekenhuis Doetinchem

12:02

Customized Endovascular Solutions for Complex Aorta Pathology

Dr. Hillian Nederhoed, vaatchirurg, Amsterdam UMC

12:09

Patient tailored approach in EVAR

Dr. Gert-Jan Lauret, vaatchirurg, Slingeland Ziekenhuis Doetinchem

12:16

Vragen

12:22

FemoSeal Vascular Closure Device

Dr. Lieven Maene, vaatchirurg OLV Ziekenhuis Aalst (België)

12:39

Vragen

12:45

Lunch (tot 14.00)

13:00

ALV NVIR

13:30

Satellietsymposium | Together, improving life

W.L. Gore & Associates

13:30

Achieving durable outcomes in endovascular aortic repair: Lessons learned on the benefits of GORE® EXCLUDER® Conformable AAA Endoprosthesis

Prof. dr. Geert Maleux, radiologist, UZ Leuven

13:45

Clinical experiences of GORE® VIABAHN® VBX Balloon Expandable Endoprosthesis in complex aortoiliac applications

Dr. Arjan Hoksbergen, vaat- en transplantatiechirurg, Amsterdam UMC

14:00

Afsluiting

Vrije voordrachten

Tussen 14.00 - 15.30 - Voorzitters: Dr. Olaf Bakker, vaatchirurg, St. Antonius ziekenhuis, & Dr. Eline van Hattum, vaatchirurg, UMC Utrecht

14:00

Vrije voordracht 1 - De eerste patiëntervaringen met een nieuw e-Health platform (JBZetje) voor de begeleiding en monitoring van patiënten met claudicatio intermittens

Sharon Nootenboom, VIOS vaatchirurgie, Jeroen Bosch Ziekenhuis

Titel:
De eerste patiëntervaringen met een nieuw e-Health platform (JBZetje) voor de begeleiding en monitoring van patiënten met claudicatio intermittens.

Samenvatting:
JBZetje is een unieke innovatieve eHealth solution voor patiënten met claudicatio intermittens met directe gegevensverwerking in het EPD waardoor progressie in loopafstanden en samenhangende klachten inzichtelijk zijn voor patiënt en behandelaar. Door monitoring op afstand kan de frequentie van ziekenhuisbezoeken en de werkdruk van zorgprofessionals verminderd worden en krijgt de patiënt de regie in zijn behandeling.

Voordracht:
Introductie/doel:
JBZetje is een speciaal ontwikkeld e-Health platform inclusief een patiënt-applicatie ter ondersteuning van de behandeling van claudicatio intermittens (CI). De app staat in directe verbinding met het EPD, waardoor een tweerichtings informatie-uitwisseling tussen de patiënt en het EPD mogelijk is. De patiënt wordt gestimuleerd om voldoende te lopen en krijgt informatie over en inzicht in de resultaten van de behandeling (functioneel en PROMs). Deze resultaten worden direct weggeschreven in het EPD. Het doel van deze studie is het bepalen van de eerste patiëntervaringen met deze e-Health toepassing.

Materiaal/methode:
Patiënten met CI werden op de polikliniek benaderd om deel te nemen aan deze prospectieve observationele studie en kregen bij maand 1, 2, 3, 6 en 12 dat zij de applicatie gebruikten generieke vragenlijsten ter evaluatie van de bruikbaarheid, gebruiksgemak, tevredenheid en privacy van het JBZetje.

Resultaten:
59 patiënten werden geïncludeerd. De mediane follow up was 6 maanden (3-12 maanden). Het responspercentage was 92,7%. Patiënten bleken positief over het e-Health platform vanwege de extra stimulatie om te lopen, het gebruiksgemak werd positief beoordeeld alhoewel niet iedereen alle functies gebruikte. Dat de vaatchirurg inzicht heeft in het dagelijks functioneren werd door de respondenten over het algemeen niet ervaren als inbreuk op privacy.

Conclusie:
JBZetje blijkt goed ontvangen te worden door patiënten. Hierdoor is directe tweerichtings informatie-uitwisseling tussen patiënt en EPD mogelijk, waardoor het platform ingezet kan gaan worden voor telecoaching en telemonitoring.

 

14:10

Vrije voordracht 2 - Een nieuwe techniek waarin laser Doppler flowmetry gecombineerd wordt met spectroscopy voor weefsel perfusie en zuurstof saturatie metingen; een pilot studie in gezonde vrijwilligers en patiënten met perifeer arterieel vaatlijden

Drs. Kirsten Ma, PhD kandidaat vaatchirurgie, UMC Groningen

Titel:
Een nieuwe techniek waarin laser Doppler flowmetry gecombineerd wordt met spectroscopy voor weefsel perfusie en zuurstof saturatie metingen; een pilot studie in gezonde vrijwilligers en patiënten met perifeer arterieel vaatlijden

Samenvatting:
Dit is de eerste studie die met behulp van een nieuwe non-invasieve techniek dat laser Doppler flowmetry combineert met spectroscopy verschillen laat zien tussen gezonde vrijwilligers en patiënten met perifeer arterieel vaatlijden. Deze studie is van klinisch belang omdat non-invasieve weefselperfusie metingen zouden kunnen assisteren bij de eerdere diagnose van perifeer arterieel vaatlijden en daarom re-interventies of amputaties voor zou kunnen zijn.

Voordracht:
Introductie: Een nieuwe non-invasieve techniek waarin laser Doppler flowmetry gecombineerd wordt met spectrocopy voor microcirculaire weefselperfusie metingen is het PeriFlux 6000 enhanced perfusion and oxygen saturation (EPOS) systeem (Perimed AB, Järfälla, Sweden). In deze studie werd onderzocht of het EPOS systeem verschillen kan meten in weefselperfusie tussen gezonde vrijwilligers en patiënten met Fontaine IIB – IV vaatlijden.

Methode: In deze single-center prospectieve pilot studie werden 10 gezonde vrijwilligers en 20 patiënten die een endovasculaire interventie ondergingen vanwege Fontaine IIB – IV geïncludeerd. Deze 20 patiënten bestonden uit 10 patiënten met Fontaine classificatie IIB en 10 patiënten met Fontaine classificatie III-IV vaatlijden. EPOS metingen werden gedaan in rust, met verwarming van de huid tot 32°C en 44°C, gevolgd door transcutane zuurstofspanning (TcPO₂) metingen. De metingen werden gedaan op de dorsale en mediale zijde van de voet en de laterale zijde van de kuit. EPOS parameters bestonden onder andere uit hemoglobine zuurstof saturatie (HbSO₂) en speed-resolved red blood cell (RBC) perfusion.

Resultaten: HbSO₂ op 44°C was significant verschillend tussen de drie groepen op alle meetlocaties. De speed-resolved RBC perfusion op 44°C was statistisch significant verschillend tussen de groepen op de dorsale en mediale zijde van de voet, maar niet op de kuit. TcPO₂ waardes waren niet statistisch significant verschillend tussen de groepen.

Conclusie: Het EPOS systeem kan non-invasief verschillen in weefselperfusie aantonen tussen gezonde vrijwilligers, patiënten met Fontaine classificatie IIB vaatlijden en patiënten met Fontaine classificatie III of IV vaatlijden. Verdere toepassing tijdens en na endovasculaire revascularisatie wordt in een vervolgstudie onderzocht.

 

14:20

Vrije voordracht 3 - Systolische vingerdruk tijdens een Allen Test vóór aanleg van een hemodialyseshunt kunnen latere handischemie voorspellen

Drs. Rishabh Yadav, PhD kandidaat vaatchirurgie, Maxima Medisch Centrum

Titel:
Systolische vingerdruk tijdens een Allen Test vóór aanleg van een hemodialyseshunt kunnen latere handischemie voorspellen

Samenvatting:
Handischemie na shuntaanleg (hemodialysis access-induced distal ischemia; HAIDI) kon eerder niet worden voorspeld. Echter, veranderingen in bloeddruk van de vinger tijdens een Allen test vóór shuntaanleg blijken wel geassocieerd te zijn met HAIDI.

Voordracht:
Introductie
Sommige hemodialyse (HD) patiënten ontwikkelen pijn en wondjes aan hun dialysehand. Deze complicatie is niet goed te voorspellen. Doel was te onderzoeken of vingerdrukken tijdens een Allen test HAIDI wel kan voorspellen.

Methode
Patiënten met nierfalen ondergingen voor shuntconstructie een systolische vingerdrukmeting (Pdig, mmHg) m.b.v. plethysmografie 15 seconden voor en na afdrukken van de a. radialis en a. ulnaris (Allen test). ∂Pdig is de eventuele vingerdrukdaling tijdens dit afdrukken. Patiënten die later een ernstige vorm van HAIDI ontwikkelden (Graad 2B-4, invasieve behandeling vereist) werden vergeleken met controlepatiënten zonder HAIDI.

Resultaten
∂Pdig van 105 patiënten (70 ±13 jaar, 65% man) die in de periode 2009-2018 een eerste HD shunt ontvingen werden geanalyseerd. Tien patiënten (10%) ontwikkelden 14 ±5 maanden na HD aanleg ernstige HAIDI. Deze HAIDI-patiënten bleken vóór shuntaanleg allen een radiaal of ulnair dominant handperfusiepatroon te vertonen, in tegenstelling tot 57% van de controlegroep (n=95, P=.010). Tijdens de Allen test hadden latere HAIDI patiënten een bijna twee keer hogere ∂Pdig (51±8 mmHg vs. 27±3 mmHg, P=.005). Een ∂Pdig >40 mmHg gaf een 10x grotere kans op ernstige HAIDI (sensitiviteit 80%, specificiteit 77%, PPV 27%, NPV 97%; RR 10.00, CI [2.25-44.39]).

Conclusie
Een vingerdrukmeting tijdens een Allen test voorafgaande aan constructie van een hemodialyseshunt is zinvol om patiënten te identificeren met een mogelijk risico op ernstige HAIDI.

14:30

Vrije voordracht 4 - Keuze ondersteunende hulpmiddelen en training verbeteren de mate van gedeelde besluitvorming binnen de vaatchirurgie: de OVIDIUS studie

Drs. Loes Peters, PhD kandidaat, vaatchirurgie, Amsterdam UMC

Titel:
Keuze ondersteunende hulpmiddelen en training verbeteren de mate van gedeelde besluitvorming binnen de vaatchirurgie: de OVIDIUS studie

Samenvatting:
De huidige mate van gedeelde besluitvorming binnen de vaatchirurgie laat ruimte voor verbetering zien. Deze studie laat zien dat het toepassen van keuze ondersteunende hulpmiddelen en een training deze verbetering kan bewerkstelligen.

Voordacht:
Introductie: Gedeelde besluitvorming (GB) is een waardevol concept binnen de vaatchirurgie vanwege de verscheidenheid aan behandelopties en mogelijke consequenties daarvan. In deze studie onderzochten we de effectiviteit van keuze ondersteunende hulpmiddelen en training op de mate van GB.

Methoden: Dit was een stepped-wedge cluster-randomised onderzoek in 13 Nederlandse vaatchirurgische centra, gericht op patiënten met een abdominaal aorta aneurysma (AAA), claudicatio intermittens (CI) en varices. Keuzetabellen, consultkaartjes, online keuzehulpen en een training voor zorgverleners werden ingezet. De primaire uitkomstmaat was de mate van GB, gemeten door analyse van audio-opnames van consulten met het OPTION-5 instrument. De voornaamste secundaire uitkomstmaten waren aandoening specifieke kennis van patiënten en de uiteindelijke behandelkeuze. De individuele effectiviteit van de ondersteunende hulpmiddelen en de training werd onderzocht middels regressie analyse.

Resultaten: We hebben 342 vaatpatiënten geïncludeerd. Na de implementatie van de ondersteunende hulpmiddelen en de training verbeterde de gemiddelde OPTION-5 score klinisch significant van 28.7% tot 37.8% (gemiddeld verschil: 9.1%, 95%CI: 6.5-11.8%). De training voor zorgverleners (p<0.001) en online keuzehulp voor patiënten (p=0.047) verbeterde de mate van GB onafhankelijk van elkaar. Daarnaast kozen AAA-patiënten (van 21.4% naar 28.8%) en CI-patiënten (van 16.0% naar 32.0%) vaker voor minder invasieve ingrepen of zagen zij af van een interventie. Patiënten hadden bovendien meer aandoening specifieke kennis na de implementatie (mediaan verschil: 13%, p=0.025).

Conclusie: De inzet van keuze ondersteunende hulpmiddelen en training zorgt ervoor dat patiënten beter betrokken worden in het besluitvormingsproces, meer aandoening specifieke kennis hebben en vaker voor een minder invasieve ingreep kiezen.

 

14:40

Vrije voordracht 5 - Thoracic Outlet Decompressie bij een Gilliatt-Sumner Hand

Jens Goeteyn, Catharina Ziekenhuis Eindhoven

Titel:
Thoracic Outlet Decompressie bij een Gilliatt-Sumner Hand

Samenvatting:
Thoracic outlet decompressie stopt verdere spieratrofie bij het zogenaamde Gilliatt-Sumner Hand. Bij sommige patienten zien we regeneratie van de spierfunctie.

Voordracht:
Introductie
De Gilliatt-Sumner Hand (GSH) is de meest uitgesproken vorm van het Neurogeen Thoracic Outlet Syndroom (NTOS) en kenmerkt zich door spieratrofie van de Abductor Digiti Minimi (ADM), Abductor Pollicis Brevis (APB), en/of de mm. interossei. Wij beschrijven de diagnose, behandeling en resultaten van chirurgie bij een GSH.
Methode
Alle patiënten tussen January 2017 en Mei 2021 met tekenen van GSH werden geïncludeerd. Alle patiënten ondergingen electromyografie (EMG) en hoge resolutie echografie (HRUS). De gestandardiseerde EAST meter werd gebruikt om spierfunctie voor en na thoracic outlet decompressie (TOD) te meten. In de follow-up werden de Disability of Arm, Shoulder and Hand (DASH), Cercival-Brachial Symptoms Questionnaire (CBSQ) and TOS Disability Scale scores vergeleken met de pre-operatieve scores.
Resultaten
Twintig patiënten werden gediagnosticeerd met een GSH. Klinisch onderzoek toonde atrofie van de ADM, APB en musculi interossei bij alle patiënten. EMG toonde plexopathie van de truncus inferior bij alle patiënten. HRUS toonde de aanwezigheid van het zogenaamde ‘Wedge Sickle Sign’ (WSS) (compressie van de truncus inferior) bij 18 patiënten (90%). Een TOD werd bij 17 patiënten (85%) uitgevoerd. De mediane opvolgduur was 15.0 (IQR 14.0) maanden. De TOS disability scale, CBSQ en DASH scores toonden een significante afname (p=0.026; p=0.001; p= 0.032 respectievelijk). Vier patiënten (23%) hadden 20% of meer toename in spierkracht op de gestandardiseerde EAST meter en minimaal 50% afname van de klachten van spierzwakte.

Conclusie
TOD chirurgie stopt de spieratrofie en reduceert de klachten bij patiënten met een GSH.

 

14:50

Vrije voordracht 6 - Dual pathway inhibition vergeleken met acetylsalicylzuur monotherapie ter verbetering van endotheelfunctie bij patiënten met perifeer arterieel vaatlijden: een fase 4 klinische trial

Drs. Josephine Kranendonk, PhD kandidaat vaatchirurgie, Radboudumc

Titel:
Dual pathway inhibition vergeleken met acetylsalicylzuur monotherapie ter verbetering van endotheelfunctie bij patiënten met perifeer arterieel vaatlijden: een fase 4 klinische trial

Samenvatting:
Deze studie onderzoekt het werkingsmechanisme achter het voordeel dat lage dosis rivaroxaban oplevert bovenop acetylsalicylzuur monotherapie bij patiënten met perifeer arterieel vaatlijden. Wij laten zien dat het verbeteren van endotheelfunctie hierin geen rol lijkt te spelen.

Voordracht:
Introductie/doel: Dual pathway inhibition (DPI) door het toevoegen van lage dosis rivaroxaban (2dd2.5mg) aan acetylsalicylzuur 100mg (ASA) vermindert de kans op arteriële trombose bij perifeer arterieel vaatlijden (PAV). Mogelijk is factor Xa remming ook van invloed op de mate van endotheeldysfunctie door een wisselwerking tussen het stollingssysteem en vaatwandinflammatie.

Materiaal/methode: Multicenter trial naar het effect van DPI op endotheeldysfunctie. PAV patiënten werden geïncludeerd in twee cohorten: cohort A (Rutherford I-III) en cohort B (Rutherford IV-VI). Proefpersonen gebruikten ASA gedurende 4 weken, gevolgd door 12 weken DPI. Macrovasculaire endotheeldysfunctie werd bestudeerd door het meten van de arteria carotis communis respons op een sympaticusprikkel (ijswatertest) en microvasculaire endotheeldysfunctie door middel van plasma endotheline-1. Alle metingen werden verricht tijdens ASA gebruik (baseline) en na 12 weken DPI.

Resultaten: 159 PAV patiënten (111 cohort A, 48 cohort B) werden geïncludeerd. Twintig patiënten stopten vroegtijdig met de studiemedicatie. De carotis constrictiereactie (macrovasculaire endotheeldysfunctie) tijdens ASA-gebruik en na 12 weken DPI was vergelijkbaar in de totale groep, 22.0% versus 22.7% (p=1.000), en subgroepen (cohort A 22.6% versus 23.7%, p=1.000; cohort B 20.5% versus 20.5%, p=1.000), respectievelijk. De gemiddelde plasmaconcentratie endotheline-1 tijdens ASA-gebruik en na 12 weken DPI was 1.70±0.57pg/mL versus 1.66±0.64pg/mL (p=0.440) in de totale groep, 1.69±0.59pg/mL versus 1.62±0.55pg/mL in cohort A (p=0.202), en 1.73±0.53pg/mL versus 1.77±0.82pg/mL in cohort B (p=0.682), respectievelijk.

Conclusie: Macro- en microvasculaire endotheeldysfunctie, gemeten door middel van de carotisreactiviteitstest en plasma endotheline-1, wordt niet beïnvloed door het toevoegen van lage dosis rivaroxaban aan ASA monotherapie gedurende 12 weken bij patiënten met PAV.

 

15:00

Vrije voordracht 7 - AneuFix, een nieuwe behandeling voor type-2 endoleaks: eerste resultaten van een multicenter pivotal trial

Drs. Stefan Smorenburg, PhD kanidaat, Amsterdam UMC

Titel:
AneuFix, een nieuwe behandeling voor type-2 endoleaks: eerste resultaten van een multicenter pivotal trial

Samenvatting:
Tot op heden mist er een effectieve behandeling voor patienten met een groeiend AAA na EVAR met persisterend endoleak type 2. Het biocompatibele AneuFix-polymeer wordt via een translumbale punctie geïnjecteerd om zo het endoleak te behandelen – dit zijn de eerste resultaten van de AneuFix trial (TripleMed), ontwikkelt op Nederlandse bodem door twee voormalig-chirurgen.

Voordracht:
Doel:
AneuFix is een biocompatibel polymeer dat bij patiënten met een type-2-endoleak via een translumbale punctie direct in de aneurysmazak wordt geïnjecteerd. Deze studie onderzocht het technische succes, de klinische veiligheid en het resultaat na 6-maanden van de nieuwe behandeling.

Methode:
Een prospectief, multicenter, pivotal trial werd uitgevoerd (ClinicalTrials.gov-NCT02487290). Patiënten met een type-2-endoleak en aneurysmagroei >5 mm werden geïncludeerd. Het endoleak werd onder lokaal anesthesie aangeprikt en opgevuld met AneuFix polymeer. Primair eindpunt was technisch succes, secundaire eindpunten waren klinisch succes gedefinieerd als afwezigheid van AAA-groei na 6-maanden, het optreden van serious adverse events en eventuele reïnterventies. Patiënten ondergingen controle CTAs 1-dag, 3, 6 en 12 maanden na behandeling met AneuFix. Deze studie rapporteert de resultaten van de eerste 18 patiënten.

Resultaten:
Veertien mannen en vier vrouwen (mediane leeftijd 78 jaar (IQR, 75-81) jaar) werden behandeld. De mediane pre-AneuFix AAA diameter was 78 mm (IQR, 71 – 84 mm) en de mediane AAA groei na EVAR was 16 mm (IQR, 11 – 19 mm). Technisch succes was 94%; bij 1 patiënt kon het endoleak niet worden aangeprikt. Klinisch succes na 6-maanden was 79%. Drie patiënten vertoonden AAA-groei met een persisterend endoleak, mogelijk ten gevolge van te conservatieve vulling van het endoleak en/of aanwezigheid van een type 1a endoleak. Er traden geen ernstige complicaties op en er waren geen reïnterventies.

Conclusie:
De eerste resultaten van AneuFix behandeling van type-2-endoleaks bij patiënten met een groeiend aneurysma laten zien dat deze behandeling technisch succesvol, veilig en klinisch effectief is na 6-maanden.

15:10

Vrije voordracht 8 - Multicenter mid-term results of bovine pericardial graft repair to replace prosthetic graft infection: VASCular no-REact® Graft Against INfection Study (VASC-REGAIN)

Eline Reinders- Folmer, UMC Groningen

Titel:
Multicenter mid-term results of bovine pericardial graft repair to replace prosthetic graft infection: VASCular no-REact® Graft Against INfection Study (VASC-REGAIN)

Samenvatting:
In-situ reconstructie bij vasculaire infecties hebben een groot risico op re-infectie. Bij voorkeur wordt er een autologe reconstructie gedaan, echter is er een noodzaak voor een snel beschikbaar infectiewerend alternatief.

Voordracht:
Introductie
Vaatprothese infecties (VPI) en infectieuze aortitis (IA) zijn uitdagende complicaties binnen de vaatchirurgie. In-situ reconstructie is de behandeling van voorkeur, maar het materiaal van de nieuwgeplaatste prothese is nog onderwerp van discussie. Autologe vene reconstructie is de eerste keuze, echter zouden xenografts een acceptabel alternatief zijn.

Methode
Patiënten met een VPI of IA, die reconstructie met een biogemodificeerde bovine pericard prothese ondergingen, werden prospectief geïncludeerd van December 2017 tot Juni 2021. De primaire outcome was re-infectie. Secundaire outcomes betroffen mortaliteit, patency en amputatie.

Resultaten
Er werden 45 patiënten met VPI danwel IA geïncludeerd. 68.9% hadden een Dacron prosthese, 17.1% een geïnfecteerde endovasculaire stent en de overige een PTFE bypass of een IA. Betreffende de reconstructie, werden er 6.7% aorta buizen, 66.7% aorta bifurcatieprotheses en 26.7% perifere protheses geïmplanteerd.
Het re-infectie percentage was 8.6% onder de centrale reconstructies, versus 30% onder de perifere groep. De 1-jaars infectie gerelateerde mortaliteit was 15.6%. Occlusie werd in 5.7% gezien in de centrale groep, terwijl 40.0% van de patiënten met een perifere prothese gedurende de follow-up een occlusie hadden. Er waren 3 patiënten die een amputatie ondergingen.

Conclusie
Re-infectie ligt op de loer na een in-situ reconstructie vanwege een vasculaire infectie. Autologe opties zijn niet altijd beschikbaar en in acute situaties tijdsintensief, daar een langere procedureduur van invloed kan zijn op de outcome. Een snel beschikbare infectiewerende prothese is van belang.
De biogemodifoceerde bovine pericard prothese laat veelbelovende resultaten zien op het gebied van re-infectie, in het bijzonder de aorta buizen en birfurcatieprotheses.

15:20

Vrije voordracht 9 - De diagnostische en prognostische waarde van acceleratietijd uit teendrukmetingen bij perifeer arterieel vaatlijden.

Drs. Rutger Welling, PhD kandidaat, St. Antonius Ziekenhuis

Titel:
De diagnostische en prognostische waarde van acceleratietijd uit teendrukmetingen bij perifeer arterieel vaatlijden.

Samenvatting:
Deze studie toont aan dat het golfsignaal dat bij een teendrukverslag wordt gepresenteerd, informatie bevat in de vorm van acceleratietijd. Deze acceleratietijd is gecorreleerd aan angiografisch bewezen vaatlijden, en de 1-jaars prognose, en is –anders dan de absolute teendruk meting- ook te meten bij wonden of standsafwijkingen van de teen.

Voordracht:
Introductie
Een teendrukmeting bevat naast een systolische bloeddrukmeting ook een curve als weergave van de photoplethysmografische golf. Uit deze curve is een acceleratietijd af te leiden (Digitale Acceleratie Tijd; DAT), zoals wordt gedaan bij de pedale acceleratie tijd (PAT) metingen.

Methode
Bij alle patiënten met een teendrukonderzoek in 2017 en 2018 werd de DAT gemeten. Afkapwaarden en diagnostische waarde o.b.v. Global Limb Anatomic Staging System (GLASS) werden bepaald met behulp van Receiver Operating Characteristics curves. Kaplan Meier overlevingsanalyse werd uitgevoerd op 1-jaar Major Adverse Limb Events (MALE). Een subgroep analyse werd uitgevoerd bij patiënten bij wie om technische redenen geen teendrukmeting verricht kon worden, maar bij wie wel een DAT gemeten werd.

Resultaat
Zeshonderddertien metingen bij 400 patiënten werden geanalyseerd in drie groepen op basis van acceleratietijd; DAT < 158 ms (n=96, 90% sensitiviteit), DAT 158-268ms (n=428), en DAT >268 ms (n=86, 90% specificiteit). Patiëntkarakteristieken verschilde significant voor leeftijd, absolute teendruk, GermanVasc-, WIfI- en GLASS-score, allen ten nadelen van langere acceleratietijden. DAT en teendruk waren vergelijkbaar in het diagnosticeren van GLASS stadium ≥ 1: DAT-AUC 68.0% [95% BI 58.6-77.5%] versus teendruk-AUC 67.3% [95% BI 56.9-77.8%], p = 0.9). MALE-vrije overleving verschilde significant; 88.2%, 68.6% en 49.7% voor respectievelijk, korte, middellange en lange DAT. In 46 patiënten (8%) was geen teendrukmeting mogelijk, een DAT van >268 ms was een significante voorspeller van 1 jaar MALE (30% vs 80%, p = 0.014).

Conclusie
Digitale Acceleratie Tijd heeft diagnostische- en prognostische waarde bij patiënten met een verdenking op perifeer arterieel vaatlijden.

 

Parallelsessie 1: Van vasculaire diagnostiek tot diagnose?

Voorzitters: Sandra Smids-Agricola, vaatlaborant, MUMC+ & Drs. Job Dierikx, vaatchirurg, Jeroen Bosch Ziekenhuis

14:00

Diagnostiek van het vasculair Thoracic Outlet Syndroom: waar zijn we naar op zoek?

Drs. Ludo Schropp, arts-onderzoeker vaatchirurgie, UMC Utrecht

Tot op heden zijn er geen specifieke guidelines voor het Thoracic Outlet Syndroom (TOS), waardoor er grote onderlinge verschillen zijn in diagnostische en therapeutische strategieën. Tijdens de sessie zal allereerst worden ingegaan op de anatomie en pathofysiologie van TOS met de focus op de veneuze en arteriële variant. Daarna zullen de beschikbare diagnostische modaliteiten bij vasculair TOS worden besproken aan de hand van casuïstiek. Hierbij wordt specifiek aandacht besteed aan het belang van dynamisch onderzoek, de houding van de patiënt tijdens de diagnostiek en het verschil tussen de intravasculaire schade en de extraluminale oorzaak.

Ludo Schropp

Ludo Schropp

14:20

Mesenteriaal duplex (20)

Drs. FLoor Metz, PhD kandidaat, Medisch Spectrum Twente

14:40

Pittfalls van vaatdiagnostiek

Dr. Bernard Leenstra, huisarts

Huidige stand van zaken omtrent TCpO2 bij patienten met perifeer arteriaal vaatlijden. En, hoe optimaliseren wij de zorg voor deze patienten tussen huisarts en vaatlab?

Bernard Leenstra, huisarts, recent gepromoveerd op TCpO2 voor patienten met perifeer arterieel vaatlijden. Schreef ook recent het boek ‘Lege Artis’.

Bernhard

Bernhard Leenstra

15:00

Alleen geluid, komen we daar mee uit?

Drs. Rudi P.M. de Munck, vaatlaborant, Rijnstate en het Beatrix ziekenhuis

Binnen de hedendaagse interventie technieken lopen we steeds vaker aan tegen de problemen van slecht functionerende nieren bij de patiënten. Het gebruik van contrastmiddelen is hierbij niet echt bevordelijk.

Daarom is het idee opgevat of een interventie, te beginnen in het femoro-popliteale traject, mogelijk is met alleen het gebruik van ultrageluid, in concreto echoscopie en Doppler.

Mijn voordracht zal verschillende voor en nadelen belichten.

15:20

Discussie

15:30

Pauze

Sessie 2: Vaatprothese infecties in de praktijk

16.00 - 17.30 - Voorzitters: Dr. Ben Saleem, vaatchirurg, UMCG & Dr. Carla van Rijswijk, interventieradiologist, Leiden University Medical Center

16:00

Natieve Aorta infectie

Dr. Udo Mulder, internist, UMCG

16:20

Diagnostiek PET CT & invasieve diagnose

Dr. Reinoud Bokkers, interventieradiologist, UMCG

16:40

Centrale vaatprothese infectie

Prof. dr. Geert Willem Schurink, Vaatchirurg, Maastricht UMC+

De voordracht “Centrale vaatprothese infectie” in de sessie “Vaatprothese infetie in de praktijk” zal zich foccussen op de verschillende behandelingsopties voor centrale prothese infecties en hoe te kiezen tussen de verschillende opties.

Geert Willem Schurink studeerde geneeskunde aan de Universiteit Utrecht en volgde de opleiding Algemene Chirurgie en Vaatchirurgie in het HAGA Ziekenhuis (Den Haag, NL) en het LUMC (Leiden, NL). Hij deed zijn proefschrift over “Endoleakage after endovascular treatment of abdominal aortic aneurysms.”

Sinds 1999 is hij vaatchirurg in het Maastricht Universitair Medisch Centrum en in 2010 benoemd tot hoogleraar Vaatchirurgie. Sinds 2020 is hij hoofd van de afdeling Vaatchirurgie. Hij is in het bijzonder geïnteresseerd in open en endovasculair herstel van abdominale, thoracale en thoracoabdominale aorta-aneurysmata.

Geert Willem Schurink

Geert Willem Schurink

17:00

Different techniques of FEVAR and EVAR explantations

Prof. dr. Xavier Bérard, vaatchirurg, Pellegrin Ziekenhuis

I am a French vascular surgeon, consultant in the department of Vascular Surgery in Bordeaux University Hospital since 2010 and have been a full Professor of Vascular Surgery in the University of Bordeaux since 2016.

I obtained my medical degree in Bordeaux University in 1999 and then undertook my internship between 1999 and 2005 and my fellowship between 2005 and 2009 in the Vascular Surgery Department of Bordeaux University Hospital. In the following four years, I completed a PhD thesis in vascular biomaterials and in 2010 worked as a research fellow in Lausanne University Hospital, Switzerland.

I have been board certified from the French College of Vascular and Endovascular Surgeons since 2008 and from the European Society for Vascular and Endovascular Surgery (FEBVS exam) since 2010.

I have been an examiner of the FEBVS exam since 2014, reviewer of the European Journal of Vascular and Endovascular Surgery since 2016. I am also a member of the ESVS guidelines writing

group for vascular graft infection and AAA. I have participated in 72 publications indexed in PubMed.

I am currently working with Professor Eric Ducasse, head of our vascular surgery department and aortic center, on the management of complex endovascular procedures.

My personal surgical interest is open surgery of (thoraco)abdominal aneurysms, redo aortic surgery, infections in vascular surgery, EVAR explantation and biomaterials.

Xavier Berard

Xavier Bérard

17:20

Antibiotica beleid bij vaatprothese infecties

Dr. Edgar Peters, internist, Amsterdam UMC

17:30

Aperitief op de expositie

19:30

Diner & Feestavond

dinsdag 12 apr

08:00

Inschrijving & koffie

08:15

Ontbijt symposium | Optimalisatie van interventies in het onderbeen

Philips Benelux - Voorzitter Drs. Daniel van den Heuvel, interventieradioloog, St. Antonius Ziekenhuis

08:15

Introductie

Drs. Daniel van den Heuvel, interventieradioloog, St. Antonius Ziekenhuis

Optimale beeldvorming is essentieel bij de endovasculaire behandeling van perifeer vaatlijden. Naast duplex echografie en angiografie kan intravasculaire ultrasound belangrijke additionele informatie geven zoals de aanwezigheid van dissecties na PTA. Onbehandeld kunnen dissecties leiden tot een blokkade van de bloedstroom als ook tot een hogere restenose en reinterventie. Nieuwe en unieke technologie zoals het TACK endovasculaire systeem maakt het mogelijk dissecties tijdig, effectief en duurzaam te repareren met minimale beïnvloeding van de vaatmobiliteit.

08:20

Optimale beeldvorming bij onderbeen interventies: is angiografie voldoende?

Dr. Olaf Bakker, vaatchirurg, St. Antonius ziekenhuis

08:35

Detectie en management van dissecties : kunnen we onze resultaten verder verbeteren?

Drs. Daniel van den Heuvel, interventieradioloog, St. Antonius Ziekenhuis

08:50

Discussie en conclusie

Vrije voordrachten

09.00 - 10.30 - Voorzitters: Dr. Janwillem Hinnen, vaatchirurg, Jeroen Bosch Ziekenhuis & Dr. Adriaan Moelker, interventieradioloog, Erasmus MC

09:00

Vrije voordracht 10 - Patient-reported quality of life after elective open and endovascular abdominal aneurysm repair: A non-randomised single-centre prospective cohort study

Drs. Boris de Cort, AIOS chirurgie, UMCG

Titel:
Patient-reported quality of life after elective open and endovascular abdominal aneurysm repair: A non-randomised single-centre prospective cohort study

Samenvatting:
Bij dit onderzoek werden geen argumenten voor en/of tegen open reconstructie of EVAR gevonden op basis van patient gerapporteerde kwaliteit van leven.

Voordracht:
Introductie
In veel Westerse landen heeft EVAR de voorkeur voor behandeling van abdominale aneurysmata. Recente NICE richtlijnen (2020) adviseren echter primair een open benadering bij ontbreken van contra-indicaties. Deze studie focust op kwaliteit van leven (Short-Form 36) na beide behandelingen. We hopen hiermee nieuwe argumenten te vinden, die helpen in besluitvorming.

Methode
Alle patiënten (N=218) die tussen 2016 en 2019 een electief abdominaal aneurysma herstel ondergingen werden geïncludeerd. Een SF-36 vragenlijst werd 6 weken preoperatief, en 6 weken en 1 jaar postoperatief verstuurd. Patiënt karakteristieken werden beoordeeld, evenals SF-36 scores en samenvattende mentale en fysieke scores (MCS/PCS). Alle scores werden vergeleken met een gestandaardiseerd leeftijds-gematched Nederlands cohort.

Resultaten
Er werden geen verschillen gevonden tussen de EVAR (N=178) en open (N=30) groep. Vanwege een evident inclusiebias (EVAR geprefereerde behandeling) werd niet onderling vergeleken. De EVAR groep toonde een significante verbetering tussen pre- en postoperatieve SF-36 scores in 4 domeinen. De open groep toonde soortgelijke trend, hoewel niet significant. Beide groepen toonden na de ingreep verbetering in met name de mentale scores. 1 jaar postoperatief waren alle scores genormaliseerd en vergelijkbaar met de gezonde Nederlandse populatie.

Conclusie
Kwaliteit van leven blijft belangrijk in de besluitvorming rondom de behandeling van abdominale aneurysmata en de keuze tussen tussen open benadering en EVAR. De gevonden verbetering in mentale scores duidt mogelijk op een verlichting van angst en stress, van de aanwezigheid van een nog onbehandeld abdominaal aneurysma. Op basis van dit onderzoek vonden we echter geen argumenten ten faveure van één van de twee behandelmodaliteiten.

 

09:10

Vrije voordracht 11 - Een hoog lipoproteïne(a) is geassocieerd met Major Adverse Limb Events na endarterectomie van de arteria femoralis

Drs. Maarten Verwer, arts-onderzoeker, UMC Utrecht

Titel:
Een hoog lipoproteïne(a) is geassocieerd met Major Adverse Limb Events na endarterectomie van de arteria femoralis

Samenvatting:
In patiënten met ernstige perifeer arterieel vaatlijden is een hoog lipoprotein(a) geassocieerd met een groter risico op interventies en/of amputatie van de onderste ledematen. Deze biomarker kan derhalve bijdragen aan de voorspelling van postoperatieve events en dus bijdragen aan de besluitvorming omtrent interventies en risicomanagement.

Voordracht:
Inleiding: Lipoproteïne(a) (Lp[a]) is een bewezen oorzakelijke risicofactor voor de ontwikkeling van hart- en vaatziekten. Er is echter weinig bekend over de relatie tussen Lp(a) en toekomstige cardiovasculaire complicaties bij patiënten met (ernstig) perifeer arterieel vaatlijden. Een biomarker die deze complicaties kan helpen voorspellen, kan van groot belang zijn bij het toewijzen van aanvullende medicamenteuze therapieën en bij de keuze van het type interventie.

Methode: Preoperatief plasma Lp(a) werd gemeten bij patiënten die een ileofemorale endarterectomie ondergingen en geïncludeerd waren in de Athero-Express biobank. In vijf postoperatieve jaren werd het optreden van Major Adverse Limb Events (MALE) en Major Adverse Cardiovascular Events (MACE) geregistreerd. Cox regressieanalyse werd gebruikt om te onderzoeken of Lp(a) een associatie had met deze (opeenvolgende) complicaties.

Resultaten: 132 van de 384 geïncludeerde patiënten had een MALE binnen een mediane follow-up duur van 5,6 jaar. In totaal werden 225 MALE geregistreerd. Multivariabele cox regressieanalyse toonde aan dat Lp(a) geassocieerd is met zowel de eerste MALE (HR 1,36 (95% CI 1,02-1,82) P=,036), als opeenvolgende MALE (HR 1,36 (95% CI 1.10 – 1,67) P=,004)). In 99 patiënten die een MACE hadden, werd geen associatie gevonden met Lp(a).

Conclusie: Plasma Lp(a) is onafhankelijk en consistent geassocieerd met MALE en opeenvolgende MALE in patiënten die een iliofemorale endarterectomie ondergingen. Dit maakt Lp(a) een potentiële biomarker voor het voorspellen van belangrijke postoperatieve events, wat kan bijdragen aan de besluitvorming omtrent interventies en risicomanagement.

09:20

Vrije voordracht 12 - Arterioveneuze fistel creatie met behulp van preoperatieve patiëntspecifieke debietvoorspellingen: een gerandomiseerde multicenter studie (Shuntsimulatiestudie)

Drs. Letty van Vliet, PhD kandidaat vaatchirurgie, UMC+

Titel:
Arterioveneuze fistel creatie met behulp van preoperatieve patiëntspecifieke debietvoorspellingen: een gerandomiseerde multicenter studie (Shuntsimulatiestudie)

Samenvatting:
Deze RCT is de eerste beschrijving van gepersonaliseerde debietvoorspellingen (flow volume) door middel van een computermodel als hulp bij de planning van vaattoegang voor hemodialyse. Ondanks dat de voorspellingen geen verbetering van klinische uitkomsten opleverden, demonstreren onze resultaten een goede referentie voor functionele uitkomsten van arterioveneuze fistels in de Nederlandse dagelijkse praktijk.

Voordracht:
Introductie:
De bloedstroom in arterioveneuze fistels voor hemodialyse is een belangrijke voorspeller van klinische uitkomsten zoals maturatie en distale ischemie. Een natuurkundig computermodel kan met input van patiëntspecifieke duplex metingen het postoperatieve debiet door de fistel voorspellen.

Methoden:
In deze gerandomiseerde multicenter studie werd de klinische impact van debietvoorspellingen onderzocht. Arterioveneuze fistels die werden gecreëerd volgens de standaard preoperatieve work-up (controlegroep, N=116) werden vergeleken met fistels gecreëerd met behulp van extra informatie over de optimale fistel configuratie (simulatiegroep, N=120). De optimale fistel configuratie werd gedefinieerd als de meest distale fistel met een voorspeld debiet tussen 400mL en 1500mL/ min. Patiënten werden gedurende 1 jaar opgevolgd.

Resultaten:
De beschikbaarheid van de voorspellingen veranderde het chirurgische plan van fistel configuratie slechts in 12% van de patiënten. Duplex maturatie na 6 weken was 68% in de simulatiegroep en 71% in de controlegroep (P=0.60). De tijd tot functioneel gebruik van de fistel was in beide groepen vergelijkbaar (Figuur 1, P=0.65). In de simulatiegroep vonden er 1.69 voettoegangsgerelateerde interventies per patiëntjaar plaats en in de controlegroep 1.53 interventies per patiëntjaar (P=0.37). De primaire en de primaire geassisteerde toegankelijkheid van de fistels waren vergelijkbaar in de twee groepen, maar secundaire toegankelijkheid was significant lager in de simulatiegroep (P=0.04). Een te hoog debiet kwam herhaaldelijk voor (14% vs 17% in de controlegroep, P=0.55).

Conclusie:
Het toevoegen van een configuratie advies gebaseerd op preoperatieve debietvoorspellingen in arterioveneuze fistels had weinig invloed op het chirurgische beleid en leverde geen verbetering op van uitkomsten zoals duplex maturatie en functionaliteit.

 

09:30

Vrije voordracht 13 - EVAR of open herstel voor AAA: is er verschil in lange-termijn overleving op basis van leeftijd?

Drs. Rens Varkevisser, PhD kanidaat, fellow vaatchirurgie, Erasmus MC

Titel:
EVAR of open herstel voor AAA: is er verschil in lange-termijn overleving op basis van leeftijd?

Samenvatting:
Door de zorgen over de lange-termijn resultaten na EVAR bestaat er veel discussie of EVAR wel de voorkeursbehandeling boven open herstel is voor jongere patiënten. Deze studie liet zien dat de lange-termijn overleving slechter is met EVAR voor een selecte groep jongere patiënten, terwijl oudere patiënten betere overleving hadden met EVAR.

Voordracht:
Introductie: De zorgen over de lange-termijn resultaten na EVAR voor infrarenale AAA’s zijn regelmatig een reden om jongere patiënten een open behandeling aan te raden. Het is echter niet duidelijk of de lange-termijn overleving na EVAR en open herstel verschillend zijn. Wij onderzochten de leeftijd-specifieke overleving tussen beide behandelingen.

Methodes: Patiënten na electieve EVAR en open herstel voor infrarenale AAA’s binnen de Vascular Quality Initiative database werden geïncludeerd (2003-2021). De primaire uitkomst was de lange-termijn mortaliteit en werd vergeleken tussen EVAR en open herstel voor patiënten van <65 jaar oud, tussen 65-79 jaar, en diegenen ≥80 jaar. Daarnaast werd de invloed van verschillende comorbiditeiten op de overleving onderzocht. We gebruikte propensity scores en inverse-probability-weighting om te corrigeren voor baseline verschillen.

Resultaten: 48.074 AAA-patiënten werden geïncludeerd. Voor patiënten <65 jaar was de gecorrigeerde 10-jaars-mortaliteit hoger na EVAR dan na open herstel (HR: 1.39; 95%CI: 1.04-1.86; P=.026). De mortaliteit was niet verschillend voor patiënten tussen 65-79 jaar oud (HR: 0.94; 95%CI: 0.79-1.10; P=.43), en lager na EVAR voor patiënten >80 jaar (HR: 0.63; 95%CI: 0.46-0.86; P=.004). In de groep jonge patiënten was de mortaliteit na EVAR met name hoger voor vrouwelijke patiënten (HR: 4.40; 95%CI: 1.75-11.0), indien de AAA-diameter >65mm was (HR: 2.19; 95%CI: 1.11-4.34), en bij patiënten zonder coronair-lijden (HR: 1.26; 95%CI: 0.83-1.91) of zonder nierinsufficiëntie (HR: 1.46; 95%CI: 1.04-2.05).
Conclusie: Voor een geselecteerde groep jonge AAA-patiënten met relatief weinig comorbiditeiten bestaat er een overlevingsvoordeel met open herstel vergeleken met EVAR. De lange-termijn overleving voor oudere patiënten is beter na EVAR.

09:40

Vrije voordracht 14 - Chopart amputatie bij de kritieke (neuro-)ischemische voet

Drs. Simone Velthuis, fellow vaatchirurgie, Isala

Titel:
Chopart amputatie bij de kritieke (neuro-)ischemische voet

Samenvatting:
Met de huidige crurale revascularisatie- en wondzorgmogelijkheden zou een Chopart amputatie een alternatief kunnen zijn voor een ‘major amputatie’ bij patienten met (neuro-)ischemische ulcera. Dit resulteert mogelijk in behoud van functionaliteit en mobiliteit.

Voordracht:
Introductie/doel
In Nederland vinden jaarlijks ruim 2500 ‘major amputaties’ plaats vanwege kritieke ischemie, al dan niet i.c.m. diabetes. Dit heeft veel impact op mobiliteit, functionaliteit en welzijn van deze kwetsbare groep patiënten. Het doel van deze studie is om te evalueren of een Chopart amputatie, met de huidige crurale revascularisatiemogelijkheden, een alternatief zou kunnen zijn voor een ‘major amputatie’ en zou kunnen leiden tot behoud van mobiliteit van de patiënt.

Materiaal/methode
Alle patiënten die vanwege (neuro-)ischemische ulcera tussen 2014 en 2021 in de Isala Klinieken Zwolle een Chopart amputatie ondergingen werden geïdentificeerd en geïncludeerd. Retrospectief werden o.a. comorbiditeit, vasculaire interventies en langetermijnuitkomsten onderzocht. Eindpunten voor deze studie waren tijd tot wondgenezing, conversie naar ‘major amputatie’ en behoud van functionaliteit en mobiliteit.

Resultaten
Er werden 24 patiënten (gemiddelde leeftijd 70.6 (range 50–86) jaar) geïncludeerd. Bij alle patiënten werd een crurale interventie verricht. Zeventien patiënten (70.8%) hadden diabetes. De gemiddelde follow-up was 3.5 (range 0.5-6.9) jaar. De gemiddelde tijd tot wondgenezing was 144 (range 19-350) dagen. Gedurende follow-up was bij 7 patiënten (29.2%) een transtibiale- en bij 1 patient (4.2%) een transfemorale amputatie nodig. De overige 16 patienten (66.7%) hadden uiteindelijk een belastbare Chopartstomp. De ipsilaterale ‘major’ amputatievrije overleving was 62.5%, 58.3%, en 50% na respectievelijk 1, 2, en 3 jaar. Vijf patiënten (20.8%) hadden reeds een contralaterale ‘major amputatie’ of ondergingen dit tijdens follow-up.

Conclusie
In patiënten met (neuro-)ischemische voetproblematiek kan een Chopart amputatie een alternatief zijn voor een ‘major amputatie’ met mogelijk minder impact op mobiliteit, functionaliteit en welzijn.

 

09:50

Vrije voordracht 15 - Het effect van normalisatie op de betrouwbaarheid van kwantificatie van weefselperfusie middels nabij-infrarood fluorescentie met Indocyanine Groen.

Drs. Pim van den Hoven, PhD kandidaat, Leids Universitair Medisch Centrum

Titel:
Het effect van normalisatie op de betrouwbaarheid van kwantificatie van weefselperfusie middels nabij-infrarood fluorescentie met Indocyanine Groen.

Samenvatting:
Deze studie toont aan dat normalisatie van ICG NIR fluorescentie beeldvorming voor de beoordeling van weefselperfusie in de voeten de betrouwbaarheid van de techniek vergroot. Toekomstige studies naar kwantificatie van weefselperfusie wordt geadviseerd deze methode toe te passen.

Voordracht:
Introductie/doel
Nabij-infrarood (NIR) fluorescentie beeldvorming met Indocyanine Groen (ICG) is een veelbelovende techniek voor de kwantificatie van weefselperfusie. Het fluorescentiesignaal wordt echter beïnvloed door verschillende factoren, waaronder de afstand en hoek van inval tot het doelgebied. Om de betrouwbaarheid te vergroten kan gebruik gemaakt worden van normalisatie, waarbij wordt gecorrigeerd voor de maximale intensiteit.

Materiaal/methode
In deze pilotstudie zijn bij controle patiënten zonder perifeer arterieel vaatlijden ICG NIR fluorescentiemetingen verricht. De fluorescentiebeelden werden geanalyseerd voor drie regio’s van interesse (ROI) die qua afstand en invalshoek afwijken: de eerste straal, de hallux en de laterale voetrand. Binnen deze drie ROIs werden vervolgens zowel absolute als genormaliseerde tijd-intensiteit curves geanalyseerd.

Resultaten
Er werden succesvolle ICG NIR fluorescentiemetingen verricht bij 16 patiënten. De tijd-intensiteitscurves staan weergegeven in figuur 1. Voor de absolute tijd-intensiteitcurves werd een duidelijk lagere intensiteit gemeten in de laterale voetrand (blauw) ten opzichte van de hallux (zwart) en eerste straal (grijs). Na normalisatie voor de maximale intensiteit vertonen de curves een vrijwel identiek in- en outflowpatroon. De maximale helling was significant verschillend voor de drie gemeten ROIs in beide voeten (rechts: p=0.005, links: p=0.037). Na normalisatie waren de waarden voor de drie ROIs vergelijkbaar (rechts: p=0.408, links: p=0.921).

Conclusie
Deze studie laat zien dat na normalisatie een vergelijkbaar perfusiepatroon wordt gezien tussen gebieden waar de hoek en afstand van de camera tot het doelgebied afwijken. Hoewel er sprake kan zijn van regionale perfusieverschillen in de voet toont dit aan dat de beoordeling van absolute intensiteit tot verkeerde conclusies kan leiden.

 

10:00

Vrije voordracht 16 - Radiologische beoordeling van een carotisstenose varieert in de kliniek

Drs. Jeroen Brouwers, AIOS chirurgie, HaGaZiekenhuis

Titel:
Radiologische beoordeling van een carotisstenose varieert in de kliniek

Samenvatting:
In de huidige kliniek wordt er gebruik gemaakt van verschillende meet methodes om een stenosegraad te kwantificeren van een carotisstenose

Voordracht:
Inleiding
Volgens de huidige internationale richtlijnen en de landmark trials dient de stenosegraad van een carotisstenose te worden bepaald middels de diameter reductie-methode. De area reductie-methode is een alternatief en zou nauwkeuriger kunnen zijn, met name bij irregulaire plaques, maar is nog niet grondig gevalideerd. In deze studie wordt onderzocht welke methode (reductie in diameter of area) wordt toegepast in de kliniek voor het bepalen van de stenosegraad van een carotisstenose.

Methode
Deelnemers van het ESNR-congres werden gevraagd om te participeren in dit onderzoek. Zij werden gevraagd welke methode (reductie in diameter of area) zij gebruiken om de stenosegraad te bepalen voor verschillende soorten carotis plaques.

Resultaten
Tweeënnegentig ingevulde vragenlijsten zijn geanalyseerd (ingevuld door 83 neuro-radiologen, 8 neuro-radiologische assistenten en 1 neurochirurg). Voor een regulaire/niet ulcererende en verkalkte plaque werd de diameter reductie het meest gebruikt, 67% en 62% respectievelijk. Maar voor een irregulaire/ulcererende plaque werd in 32% alleen de area reductie-methode gebruikt. En in 13% werd een combinatie van diameter en area reductie-methode gebruikt.

Conclusie
Er is een variatie gevonden in de methode om een stenosegraad te kwantificeren van een carotisstenose. Middels CTA wordt de diameter reductie het meest gebruikt om de stenosegraad te bepalen. Maar de area reductie-methode wordt ook gebruikt, met name bij irregulaire/ulcererende plaques. Aangezien de area reductie-methode (nog) niet uitgebreid is onderzocht om patiënten te selecteren voor een interventie, dient men zorgvuldig om te gaan met deze meet methode.

 

10:10

Vrije voordracht 17 - De hoog-risico patiënt in beeld: de resultaten van vier jaar preoperatief multidisciplinair overleg voor patiënten met een hoog-risicoprofiel in een regionaal ziekenhuis

Drs. Hanneke Moonen, AIOS chirurgie, Ziekenhuis Gelderse Vallei

Titel:
De hoog-risico patiënt in beeld: de resultaten van vier jaar preoperatief multidisciplinair overleg voor patiënten met een hoog-risicoprofiel in een regionaal ziekenhuis

Samenvatting:
Landelijk is sprake van een toenemende interesse in het formaliseren van het preoperatieve overlegmoment tussen behandelaars in het geval van een hoog verwacht complicatierisico. De preoperatieve Hoog-Risico Bespreking in ons centrum leidde in meer dan 1 op de drie patiënten tot nadere analyse of een gewijzigd plan.

Voordracht:
Introductie
Landelijk is sprake van een toenemende interesse in het formaliseren van het preoperatieve overlegmoment tussen behandelaars in het geval van een hoog verwacht complicatierisico. Wij beschrijven vier jaar ervaring met de preoperatieve Hoog-Risico Bespreking (HRB) in ons centrum.

Methode
Retrospectieve observationele cohortstudie in een regionaal ziekenhuis. Kenmerken van alle patiënten die tussen februari 2016 en mei 2020 werden aangemeld voor de HRB werden beschreven, inclusief het uitgevoerde behandelplan en 1-jaars overleving.

Resultaten
Honderdvijfentachtig patiënten werden besproken in een HRB. Zevenenzeventig (42%) waren vrouw, de gemiddelde leeftijd was 73 jaar [IQR 12] en de mediane ASA-classificatie 3 [IQR 2]. Honderd-en-een (55%) van de patiënten werd aangemeld voor een vasculaire ingreep, waarvan 67 (36%) patiënten in verband met geplande postoperatieve intensive care opvang bij een open aortaoperatie (39, 21%). In 69 (37%) van de gevallen werd het plan gewijzigd of volgde nadere analyse naar aanleiding van de Hoog-risico Bespreking. Honderdzesenveertig (79%) van de patiënten onderging uiteindelijk een operatie. Honderdzeven (73%) van de geopereerde patiënten brachten postoperatief een mediane duur van 1 [IQR 3] dag op een bewaakte afdeling door, waarbij 93 (64%) een gecompliceerd beloop doormaakte. De 1-jaars mortaliteit na de operatie, respectievelijk de Hoog-Risico Bespreking was 17% bij geopereerde, respectievelijk 26% bij niet-geopereerde patiënten (p=.2).

Conclusie
De preoperatieve Hoog-Risico Bespreking, leidde bij één op de drie aangemelde patiënten tot een aangepast of aanvullend beleid. Patiënten die voor de bespreking werden aangemeld kenden inderdaad hoge morbiditeitscijfers. Toekomstig onderzoek moet aantonen of beleidsvorming naar aanleiding van een HRB leidt tot verminderde ziektelast.

 

10:20

Vrije voordracht 18 - Leercurve van complexe endovasculaire aortareconstructie

Britt Warmerdam, student-onderzoeker, Leids Universitair Medisch Centrum

Titel:
Leercurve van complexe endovasculaire aortareconstructie

Samenvatting:
Complexe endovasculaire aortareconstructie wordt in toenemende mate toegepast. De huidige studie geeft inzicht in de leercurve van deze complexe procedures, wat kan bijdragen aan succesvolle implementatie van nieuwe technieken in de toekomst.

Voordracht:
Introductie
Complexe endovasculaire aortareconstructie (complexe EVAR) wordt in toenemende mate toegepast. Een belangrijke factor bij het introduceren van een nieuwe techniek is de leercurve. De huidige studie evalueert zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve leercurve van 8 jaar complexe EVAR in een tertiair centrum. Inzicht in de leercurve kan bijdragen aan succesvolle implementatie van nieuwe technieken.

Methode
In een retrospectieve cohortstudie werd data gebruikt van patiënten die complexe EVAR ondergingen tussen Juli 2013 en April 2021. Uitkomstmaten voor de kwantitatieve analyse waren: operatieduur, bloedverlies, contrastvolume, verblijfsduur, ernstige complicaties (MAE) en 30-dagen mortaliteit. Patiënten werden in drie consecutieve groepen verdeeld voor dichotome uitkomstmaten. Continue uitkomsten werden middels regressieplots geanalyseerd. In 2017 werd het behandelteam geïnterviewd door een externe onderzoeker. Uit deze interviews werden kwalitatieve factoren van invloed geëxtraheerd.

Resultaten
Er werden 90 patiënten geïncludeerd. De verblijfsduur (p=0.008) en operatieduur (p=0.010) daalden significant met toename van ervaring. De derde groep had minder cardiale complicaties (3:0% vs. 2:17% vs. 1:17%, p=0.042). Er was een trend van toename in complexiteit (p=0.076) en het aantal fenestraties (p=0.060). Er waren geen significante veranderingen in MAE en mortaliteit. De factoren van invloed waren: communicatie, wederzijds vertrouwen, gevoel van verantwoordelijkheid en collectieve doelen, autoriteitsstructuur, kennis delen en teamvaardigheden (figuur 1).

Conclusie
Complexe EVAR kan veilig geïmplementeerd worden in een niet-hoog volume ziekenhuis, waarbij operatieduur en verblijfsduur afnemen met toename van ervaring. Naast reeds bekende factoren, werden nieuwe factoren gevonden die de leercurve positief beïnvloedden. Deze bieden handvatten bij het implementeren van nieuwe technieken in de toekomst.

 

Parallelsessie 2: Uitdagende interventies, help wat nu?

Voorzitters Dr. Wouter van der Veen, vaatlaborant, Meader MC & Dr. Gerdine von Meijenfeldt, fellow vaatchirurg, UMCG/OZG

09:00

Verschillende behandelopties bij crurale laesies

Dr. Gerdine von Meijenfeldt, fellow Vaatchirurg, UMCG/OZG

09:20

EVAR in een smalle aorta; technische uitdaging en complicaties

Dr. Jantien Specken-Welleweerd, differentiant vaatchirurgie, Jeroen Bosch Ziekenhuis

09:40

Tandem laesies bij IAT; een echte vent kiest een stent...?

Drs. Erik-Jan de Heide, AIOS radiologie, UMC Groningen

Presentatie van een casus betreffende een IAT bij een acuut herseninfarct, bemoeilijkt door een extracraniële carotis (tandem) laesie. Stenten? Niet stenten? Wat zegt de huidige literatuur?

Erik-Jan de Heide is geboren in Rijswijk 20/08/1991, opgegroeid in Friesland en heeft de studie Geneeskunde volbracht in Groningen. Na in 2017 onderzoek gedaan te hebben naar MRI beeldvorming bij patiënten met een acuut herseninfarct aan de National Institutes of Neurological Disorders and Stroke in de Verenigde Staten, startte hij met de opleiding tot radioloog in het UMC Groningen, waar hij nu differentiant interventieradiologie is.

Erik-Jan

Erik-Jan de Heide

10:00

PAOD

Drs. Thomas De Clercq, AIOS, MUMC

10:20

Discussie

10:30

Pauze

11:00

Satellietsymposium | Advancing Aortic Technologies with Purpose

Artivion - Voorzitters: Dr. Lee Bouwman, vaatchirurg, Zuyderland Ziekenhuis & Dr. Maarten Dinkelman, vaatchirurg, ETZ

11:00

Kwaliteit van leven na EVAR, EASY to study?

Prof. dr. Lijckle van der Laan, vaatchirurg, Amphia Ziekenhuis

11:15

Blijf gezond, ga van gezond naar gezond: E-liac branched solution

Dr. Ozan Yazar, vaatchirurg, Zuyderland Ziekenhuis

11:30

BEVAR met Innerbranches en E-nside off-the-Shelf Device

Dr. Arjan Hoksbergen, vaatschirurg, Amsterdam UMC

11:45

5 minuten wisseltijd

Sessie 3: Dilemma’s in aneurysma pathologie

11.50 - 13:15 - Voorzitter Prof. Dr. Jan Blankensteijn, vaatchirurg, Amsterdam UMC & Drs. Rutger Lely, interventieradioloog, VUmc

11:50

Juxtarenaal aneurysma: open of Endo eerste keuze?

Prof. dr. Hence Verhagen, hoogleraar vaatchirurgie, Erasmus MC

12:05

Groei AAA na EVAR - beste algoritme voor diagnostiek

Drs. Rutger Lely, interventieradioloog, VUmc

12:20

Behandelstrategie bij AAA groei na EVAR

Prof. dr. Jean-Paul de Vries, vaatchirurg, UMCG

Prof. dr. Jean-Paul de Vries is vaatchirurg en sinds 2018 werkzaam als afdelingshoofd chirurgie in het  UMCG. Het aandachtsgebied vaatchirurgie van het UMCG biedt het hele palet aan vaatchirurgische interventies met als speerpunten complexe (T)EVARs, vaatprothese infecties, carotispathologie en complexe perifere (endovasculaire) interventies.

Gedurende follow-up post-EVAR ontstaat bij een deel van de patienten een complicatie die een reinterventie noodzakelijk maakt. In deze voordracht ligt de nadruk op het arsenaal aan reinterventies voor de behandeling van een type IA endoleak en/of migratie. Een overzicht zal worden gegeven van de beschikbare literatuur wat betreft uitkomsten van deze reinterventies.

12:35

Coiling van lumbalen voor EVAR: zinvol?

Prof. dr. Andrej Schmidt, interventie cardioloog, University Hospital Leipzig-Clinic

12:50

Discussie

13:15

Lunch

Tot 14:15

13:15

ALV NVVV

Sessie 4: Vasculair Hoofd & Halszaken

14:15 - 15:45 - Voorzitters: Dr. Wouter Dinkelaar, interventieradioloog, Erasmus MC & Dr. Reinoud Bokkers, interventieradioloog, UMCG

14:15

IAT update / stand van zaken

Prof. dr. Aad van der Lugt, radioloog, Erasmus MC

14:35

IAT toekomstperspectief

Dr. Adriaan van Es, neurointerventieradioloog, LUMC

De endovasculaire behandeling van patiënten met een herseninfarct op basis van een proximale intracraniële occlusie is niet meer weg te denken uit de klinische praktijk. Deze therapie heeft zich de laatste jaren snel ontwikkeld en ook voor de nabije toekomst zijn er weer interessante ontwikkeling in de angiokamer te verwachten.

Adriaan van Es is als neurointerventionalist werkzaam binnen het Universitair Neurovasculair Centrum (UNVC), een samenwerking tussen het LUMC en het Haaglanden MC op het gebied van de regionale neurovasculaire zorg. Binnen het brede palet aan neurovasculaire interventies heeft de endovasculaire behandeling van het herseninfarct zijn speciale aandacht.

14:55

Asymptomatische carotisstenose

Prof. dr. Jaap Kapelle, neuroloog, UMC Utrecht

Prof. dr. Jaap Kapelle is Neurologist with expertise in cerebrovascular diseases. During his session: Asymptomatic carotid stenosis; knife, stent or just medication?

15:15

Near Occlusion

Prof. dr. Gert Jan de Borst, vaatchirurg, UMC Utrecht

Prof. dr. Gert Jan de Borst is hoofd afdeling vaatchirurgie UMCU & associate editor EJVES

15:35

Discussie

15:45

Uitreiking beste vrije voordracht

16:00

Afsluiting Vaatdagen 2022